Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS3725

Datum uitspraak2004-12-08
Datum gepubliceerd2005-01-28
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers61360 HA ZA 03-890
Statusgepubliceerd


Indicatie

Dexia-zaak. Hoewel partijen zich niet hebben uitgelaten over de bevoegdheid van de sector civiel van deze rechtbank, brengt het bepaalde in artikel 71 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mee dat de bevoegdheidskwestie ook ambtshalve beoordeeld kan worden. De rechtbank is, op basis van een voorlopige beoordeling van de processtukken, voorshands van oordeel dat de overeenkomst waarop het geschil betrekking heeft voldoet aan de essentialia van een huurkoopovereenkomst. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich hieromtrent uit te laten.


Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden Sector civiel recht afdeling handelsrecht Uitspraak: 8 december 2004 Zaak-/Rolnummer: 61360 HAZA 03-0890 VONNIS van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], opposant, verder te noemen [eiser], procureur: mr. P.R. van den Elst, advocaat: mr. H.V. Wobben te Assen, tegen de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam, geopposeerde, verder te noemen Dexia, procureur: mr. R.A. Schütz.. PROCESGANG Bij verzetdagvaarding van 19 november 2003 heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank hem ontheft van de veroordeling tegen hem uitgesproken door deze rechtbank in het verstekvonnis van 1 oktober 2003, en Dexia veroordeelt in de kosten van het verzet. Bij conclusie van antwoord in oppositie heeft Dexia geconcludeerd dat de rechtbank [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk verklaart althans hem zijn vordering ontzegt, en de veroordeling van [eiser] uitgesproken in voornoemd verstekvonnis bekrachtigt, met verwijzing van [eiser] in de kosten van het geding. Partijen hebben producties overgelegd. Ten slotte is vonnis gevraagd. RECHTSOVERWEGINGEN Beoordeling van het geschil 1. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] tijdig in verzet is gekomen, en daarin ontvankelijk is. 2. Hoewel partijen zich niet hebben uitgelaten over de bevoegdheid van de sector civiel van deze rechtbank, brengt het bepaalde in artikel 71 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mee dat de bevoegdheidskwestie ook ambtshalve beoordeeld kan worden. 3. De rechtbank is, op basis van een voorlopige beoordeling van de processtukken, voorshands van oordeel dat de overeenkomst waarop het geschil betrekking heeft voldoet aan de essentialia van een huurkoopovereenkomst. Daartoe diene het volgende. 4. In de eerste plaats blijkt uit, onder meer, artikel 6 van de overeenkomst en artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease dat Dexia zich heeft verbonden de eigendom van de waarden (zijnde volgens artikel 1 van de overeenkomst de aandelen) over te dragen onder de opschortende voorwaarde van betaling door [eiser]. In de tweede plaats geldt dat Dexia, blijkens artikel 3 van de Bijzondere Voorwaarden, reeds voordat alle termijnen door [eiser] zijn voldaan gehouden is het genot van (en daarmee de macht over) de waarden aan hem te verschaffen, waardoor feitelijk aflevering plaatsvindt voordat [eiser] aan alle verplichtingen heeft voldaan. In de derde plaats geldt dat [eiser] gehouden is de prijs te betalen in termijnen, waarvan meerdere nog verschijnen nadat aflevering heeft plaatsgevonden. Hieraan doet niet af de mogelijkheid, wat daar ook van zij, dat een deel van de termijnen slechts rente betreft, nu immers deze rente in dat geval onderdeel uitmaakt van de prijs van de lening die [eiser] is aangegaan om de aandelen te kunnen kopen en aldus in economisch opzicht een onderdeel uitmaakt van de prijs van deze aandelen. 5. Nu kwesties betreffende huurkoop vallen onder de absolute bevoegdheid van de sector kanton, is de rechtbank voornemens de onderhavige zaak te verwijzen. Dit echter niet voordat partijen zich hierover hebben uitgelaten - hetgeen zij bij akte kunnen doen. 6. Ten overvloede deelt de rechtbank mee dat verwijzing in de weg lijkt te staan aan een voortvarende behandeling van deze zaak, waarin reeds lang vonnis gewezen had moeten worden. Partijen zullen zich echter bewust zijn van het feit dat er thans vele, soortgelijke, procedures lopen in het land, en dat het wenselijk is dat in deze procedures zoveel mogelijk eenduidig wordt beslist. Om deze reden heeft de rechtbank er voor gekozen om eerst de totstandkoming van uniforme afspraken, onder meer inzake de bevoegdheid, af te wachten. Om dezelfde reden heeft het de voorkeur om de zaken zoveel mogelijk door dezelfde sector van de rechtbank te laten behandelen - in casu die van het kanton. 7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. BESLISSING De rechtbank verwijst de zaak naar de rolzitting van 5 januari 2005, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de hierboven in r.o. 4 en 5 bedoelde bevoegdheidskwestie; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 8 december 2004.